Aangepast vrijstellingsbesluit

Op 29 september 2016 trad het vrijstellingsbesluit in werking waarin de nieuwe regels rond vrijstelling staan. Hierin wordt bepaald voor welke constructies een vrijstelling geldt, en dus geen stedenbouwkundige vergunning meer nodig is. Dat wijzigingsbesluit kwam er om knelpunten en onduidelijkheden weg te werken, en om de bestaande wetgeving te vereenvoudigen. De belangrijkste wijzigingen in functie van land- en tuinbouw zijn een versoepeling voor constructies voor teeltbescherming en schuilhokken. Vanaf nu heb je geen “bouwvergunning” meer nodig voor erosiedammen, sleufsilo’s en seizoensgebonden opslag van groenvoer, en voor de aanleg van een veedrinkpoel. Die vrijstellingen gelden wel pas in specifieke gevallen. Bovendien moet je bijvoorbeeld voor een sleufsilo nog altijd een milieuvergunning voorzien. Een kort overzicht van de wijzigingen en voorwaarden vind je op onze site.


Verduidelijking van uit het VERSLAG aan de Vlaamse Regering

Versoepeling inzake constructies voor teeltbescherming (art. 5.1, 1/1°)

Enkele voorbeelden van constructies die dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen zijn: hagelnetten, antivogelnetten, plastiektunnels, constructies ter ondersteuning van de gewassen , windschermen…De bestaande vrijstelling bepaalt dat dergelijke constructies na de oogst verwijderd moeten worden. Deze vrijstelling blijft behouden. Maar de vrijstelling is problematisch bij constructies als hagelnetten, die het hele jaar door blijven staan. Vandaar dat we een bijkomende vrijstelling invoeren onder de bijkomende voorwaarde dat het niet mag gaan om hagelkanonnen, gebouwen of serreconstructies. Die hebben immers een belangrijke ruimtelijke impact zodat ze niet vrijgesteld kunnen worden. Ook wordt een hoogtebeperking ingevoerd.

Verder moet voldaan zijn aan volgende voorwaarden:

  • ze dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen;

  • het hemelwater wordt opgevangen en hergebruikt of kan op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem infiltreren;

  • de constructies zijn niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of overstromingsgevoelig gebied

Versoepeling inzake schuilhokken (art. 5.1, 3°)

De toegelaten oppervlakte voor het plaatsen van schuilhokken zonder stedenbouwkundige vergunning wordt verdubbeld van 20 tot 40 m². Dit geldt vanaf nu per goed zodat er meerdere schuilhokken zonder vergunning kunnen worden opgericht, als de totale oppervlakte onder de 40 m² blijft.


Vrijstelling voor erosiedammen (art. 5.1, 4°)

Inzake land- en tuinbouw wordt een bijkomende vrijstelling ingevoerd, meer bepaald het aanleggen van een dam uit plantaardige materialen langs de stroomafwaartse perceelsgrens van een erosiegevoelig perceel. Buiten de voorwaarden die gelden voor vrijstellingen inzake land- en tuinbouw geldt bijkomend dat de aanleg niet strijdig mag zijn met artikel 640 van het burgerlijk wetboek. Dit laatste vermelden we niet uitdrukkelijk in het besluit, maar is een eis die automatisch geldt.

Dammen uit plantaardige materialen worden aangelegd in het kader van erosiebestrijding op landbouwpercelen. Dergelijke dammen beperken de gevolgen van bodemerosie (modderoverlast, sedimentaanvoer naar waterlopen en riolering) en verminderen de kans op bodemerosie stroomafwaarts van de dam. Ze remmen het afstromende water af en zorgen voor een tijdelijke buffering, zodat het meegevoerde sediment kan bezinken. De waterdoorlatendheid van de dam is afhankelijk van het materiaal, waaruit de dam is opgebouwd. Volgende plantaardige materialen zijn reeds gangbaar: houthaksel, kokosbalen, wilgentenen en strobalen.

Het aanleggen van dammen uit plantaardige materialen kan momenteel  van een aantal steunmaatregelen genieten. Het vrijstellen van vergunningsplicht is verantwoord door de beperkte dimensies die dergelijke dammen hebben. In het besluit wordt een maximale hoogte van 1 meter opgelegd. De geringe ruimtelijke impact wordt tevens verzekerd doordat artikel 640 van het burgerlijk wetboek nageleefd moet worden, ook al schrijven we dit niet in het BVR.

Artikel 640 van het burgerlijk wetboek luidt:

“Art. 640. Lager gelegen erven zijn jegens de hoger liggende gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt. De eigenaar van het lager gelegen erf mag geen dijk opwerpen waardoor de afloop verhinderd wordt. De eigenaar van het hoger gelegen erf mag niets doen waardoor de erfdienstbaarheid van het lager gelegen erf verzwaard wordt.”


Vrijstelling voor sleufsilo’s en seizoensgebonden opslag van groenvoer (art. 5.2, 6° en 7°)

Een vrijstelling voor de plaatsing van sleufsilo’s wordt voorgesteld op voorwaarde dat ze in agrarisch gebied in de ruime zin liggen en ze volledig binnen een straal van 50 meter van het gebouwencomplex van het landbouwbedrijf zijn gelegen. Met gebouwencomplex wordt hier bedoeld het geheel van stallen, loodsen, schuren en bedrijfswoning. Een vrijstelling voor de tijdelijke opslag van met folie afgedekt groenvoer wordt eveneens ingeschreven. Dit om duidelijk te maken dat dit geen vergunningsplichtige reliëfwijziging is.


Vrijstelling voor constructies in landbouwgebied (art. 5.3)

We voorzien een belangrijke vrijstelling voor allerhande constructies in landbouwgebied, analoog aan de bestaande vrijstelling in industriegebied. Het mag echter niet gaan om gebouwen of verhardingen (beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en watertoets is voor dergelijke aanvragen nodig). Het moet gaan om beroepslandbouw en om constructies in functie van deze beroepslandbouw. Constructies in functie van nevenactiviteiten zoals hoeveverkoop, kinderboerderij, hoeverecreatie en dergelijke, worden niet van de stedenbouwkundige vergunning, of in de toekomst omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, vrijgesteld.


Vrijstelling voor agroforestry (art. 6.1, 4°, Vrijstellingenbesluit)

In hun advies bij het voorontwerp van verzameldecreet (VR2015 0304 DOC.0341/4) stellen de Minaraad en de SALV vast dat de vrijstelling, opgenomen in artikel 6.1 Vrijstellingenbesluit, niet geldt voor boslandbouwsystemen. De Raden vragen een aanpassing zodat het duidelijk wordt dat voor het kappen van bomen in een agroforestry systeem geen stedenbouwkundige vergunning noodzakelijk is.

Onder agroforestry wordt verstaan het grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond. Om te duiden wat precies vrijgesteld is, wordt aangesloten bij artikel 3, §3, 9°, van het Bosdecreet.


Vrijstelling voor het aanleggen van een veedrinkpoel (art. 6.3)

Bepaalde poelen worden vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning in het nieuwe artikel 6.2 Vrijstellingenbesluit.  Het betreft echter steeds initiatieven in het kader van wettelijk vastgelegde inrichtings- of beheersplannen. Daarnaast is het gewenst om ook andere poelen vrij te stellen.

Er wordt niet langer een stedenbouwkundige vergunning vereist voor het aanleggen van een veedrinkpoel, mits deze poel ontstaat door louter een uitgraving. Indien deze poel verstevigd wordt door betonnen wanden, zeilen, … dan geldt de vrijstelling niet. De maximale oppervlakte mag bovendien niet groter zijn dan 100 vierkante meter. Dit artikel bevat geen voorwaarden wat betreft het gebied waar de handeling wordt uitgevoerd. Aldus kunnen veedrinkpoelen in eender welk bestemmingsgebied aangelegd worden. Wel is het zo dat de eerder algemene voorwaarden spelen (art. 1.2, 1.3 en 1.4). 



DEEL DIT BERICHT:

Recente projecten

Nieuwsbrief agro Inschrijven
Nieuwsbrief voor paardenhouders Inschrijven