Ontwerp MER MAP6


Op 24 december werd het openbaar onderzoek over MAP 6 gestart. Dit loopt nog tot 21 februari. Hierbij werd een ontwerp-MER gepubliceerd, waarin onderstaande zaken beschreven staan.

Let hierbij wel op dat dit nog volledig onder voorbehoud is en dus nog niet definitief werd goedgekeurd.

Evaluatie en beoordeling

De evaluatie van de kwaliteit van het oppervlaktewater zal niet meer gebeuren op meetpunt-niveau, maar op het niveau van de afstroomzones. Hierbij wordt een gemiddelde berekend van alle MAP-meetpunten binnen die afstroomzone. Op basis van dit resultaat wordt Vlaanderen ingedeeld in 4 gebiedstypes:

  • Type 0: gemiddelde van de afstroomzone: ≤ 20 mg nitraat/l
  • Type 1: gemiddelde van de afstroomzone: > 21 - 24 mg nitraat/l
  • Type 2: gemiddelde van de afstroomzone: > 25 - 32 mg nitraat/l
  • Type 3: gemiddelde van de afstroomzone: > 32 mg nitraat/l

Het doel van MAP 6 is om een gemiddelde daling van 4mg/l te realiseren voor de gebieden type 1, 2 en 3.

In combinatie met de evaluatie van de grondwaterkwaliteit wordt voor elk afstroomgebied een specifiek gebiedstype toegekend. Dit type kan één hoger liggen dan de indeling op basis van de oppervlaktewaterkwaliteit. Met een maximum van type 3.

Op basis van de huidige waarden (gemiddelde afgelopen 3 winterjaren) komt men tot onderstaande gebiedsindeling:

Deze indeling zal tweejaarlijks geëvalueerd worden met een eerste keer in 2020, waarbij de nieuwe indeling ingaat in 2021.

Bij gebieden met type 0 streeft men ernaar om een stijging van de gemiddelde nitraatconcentratie te vermijden. Indien toch een significant stijgende trend wordt waargenomen, dan wordt het gebied toch ingedeeld in type 1. Waarbij onder significant stijgende trend wordt verstaan:

  • Oppervlaktewater: de gemiddelde concentratie is hoger dan 16 mg nitraat/l EN er vond een stijging plaats met meer dan 1 mg nitraat/l/jaar.
  • Grondwater: de gemiddelde concentratie is hoger dan 40 mg nitraat/l EN er vond een stijging plaats met meer dan 0,75 mg nitraat/l/jaar.

 

Maatregelen

Gebiedsgerichte maatregelen op bedrijfsniveau

De evaluatie gebeurt steeds op basis van de ligging van het perceel en niet op basis van de gehele exploitatie, zoals nu bv. bij de bepaling van ‘focusbedrijf door ligging’.

Percelen in gebiedstype 0

  • Bij gebruik van precisiebemestingstechnieken wordt de bemestingsvrije strook van 5 m langs waterlopen herleid tot 1 m op niet hellende percelen.
  • Geen verplichte grondstalen met bijhorend bemestingsadvies in groente- en sierteelt
  • Bedrijven met percelen in gebiedstype 0 die hoge opbrengsten realiseren kunnen nog steeds een verhoging van 10% op werkzame stikstof aanvragen. De voorwaarde voor het uitvoeren van een bedrijfsevaluatie blijft van toepassing.
  • Minder kans op nitraatresidubepaling, aangezien de waterkwaliteit hier gunstig geëvalueerd wordt.

Percelen in gebiedstype 1

Op percelen in type 1 wordt de inzaai van vanggewassen verplicht na gewassen die vóór 1 september geoogst worden op niet-kleigronden. Voorwaarden hierbij zijn het inzaaien van een vanggewas tegen uiterlijk 15 september of een nateelt in hetzelfde jaar inzaaien.

Percelen in gebiedstype 2 en 3

Bij percelen in type 2 en 3 zal de bemestingsnorm voor werkzame stikstof ieder jaar afnemen volgens onderstaande tabel. Eveneens wordt het minimaal areaal bouwland waarop grasland of een vanggewas moet worden ingezaaid ieder jaar verhoogt.

Er wordt dus aangeraden om waar mogelijk een vanggewas in te zaaien met een minimale oppervlakte aan vanggewassen die verplicht dient ingezaaid te worden.

Verdere voorwaarden zijn o.a. dat de landbouwer die de hoofdteelt verbouwt eveneens de bemestingsrechten heeft en de eventuele perceelsgebonden sancties opgelegd krijgt. Transporten van dierlijke mest naar derden die plaatsvinden vanaf 1 juli, moeten gebeuren door een erkend voerder met AGR/GPS.

Percelen, van focusbedrijven cat. 2 of 3 uit MAP 5, die gelegen zijn in type 2 of 3 zullen de reductie van de N-bemestingsnorm behouden. Eveneens het opgelegde minimale areaal aan vanggewas zal behouden blijven (tenzij het opgelegde areaal door MAP 6 hoger ligt).

Landbouwers kunnen in plaats van de standaardmaatregelen (daling van de bemestingsnorm of verplichte inzaai van vanggewassen) kiezen voor andere maatregelen zoals het behalen van een fertilicentie (= eigen specifieke maatregelen opgelegd na een audit) of het laten uitvoeren van een bedrijfsevaluatie van het nitraatresidu waarbij een positieve evaluatie voor een vrijstelling zorgt. Bedrijven die reeds een vrijstelling kregen in MAP 5 zullen deze behouden voor hun percelen in type 2 en 3.

Deze alternatieve maatregelen zullen dynamisch zijn, wat wil zeggen dat er nieuwe maatregelen kunnen toegevoegd worden. Dit op basis van de evaluatie door een adviescomité.

Gebiedsgerichte maatregelen voor groep landbouwers

Hieronder wordt de stimulatie van maatregelen bedoelt die nutriëntverliezen beperken, zoals bv. bijkomende mestopslagcapaciteit creëren, aanleg van bufferbekkens, bijsturen van de teeltrotaties en aanleg van robuustere catchments zoals bufferstroken of constructed wetlands.

Sectorgerichte maatregelen

Specifieke actieplannen zullen worden opgesteld voor onder meer de grondloze tuinbouw en voor het afspoelen van silosappen. 

De bemestingsnorm voor werkzame stikstof op grasland dat uitsluitend gemaaid wordt en innoverend beheerd wordt (gefractioneerde en oordeelkundige bemesting met zowel kunst- als mengmest) zal met 75 eenheden verhoogd worden.

Transport en uitrijperiode

De uitrijperiode zal gelijkgesteld worden voor het volledig Vlaamse gewest en wordt als volgt voorgesteld:

Meststoffen type 1

Uitrijden mag vanaf 16/01 tot en met 30/10. De uitrijperiode wordt dus ingekort. De opslag van vaste dierlijke mest op de akker wordt wel gedurende de volledige winterperiode toegelaten mits het aanbrengen van een laag stro onder de opslag  of de opslag af te dekken om infiltratie van regenwater in de opslag te vermijden.

Fosfaat uit stalmest zal voortaan slechts voor 50% meegeteld worden (ook bij percelen met klasse III of IV) op voorwaarde dat het gaat om biologische bedrijven of bedrijven waarbij 90% van hun dierlijke productie uit stalmest bestaat en waarbij eveneens 90% van de dierlijke productie op eigen land terechtkomt. 

Meststoffen type 2

Op grasland mag uitgereden worden vanaf 16/02 tot en met 15/08. Op akkerland is dit toegelaten vanaf 16/02 tot en met 31/07. Uitzondering hierop is de bemesting tot 31/08 na de hoofdteelt op voorwaarde dat er een vanggewas of nateelt wordt ingezaaid uiterlijk op 15/09.

Meststoffen type 3

Deze meststoffen kunnen aangewend worden na 31/08 tot 30/10 op groentepercelen en in sierteeltgewassen conform een bemestingsadvies.

Transport wordt steeds uitgevoerd met een erkend mestvoerder. Uitzonderingen hierop zijn:

  • Eigen mest-eigen grond: Transporten met eigen vervoermiddelen van eigen mest naar eigen grond
  • Burenregeling waarbij eigen geproduceerde mest wordt vervoerd binnen de eigen gemeente of naar een aangrenzende gemeente waarbij het transport gebeurt met behulp van een vervoermiddel van ofwel de aanbieder ofwel de afnemer. Retourvrachten met effluent vanuit de mestverwerking blijven mogelijk onder burenregeling. De geldigheid van de burenregeling wordt beperkt tot de geldigheid van de analyse (max. 3 maand).

Controle

Administratieve controles zijn nog steeds de basis. Hieruit worden bedrijven gehaald die bezocht zullen worden in het kader van bedrijfsdoorlichting. Belangrijk wordt hierbij dat men tracht het volledige netwerk bloot te leggen: alle aan- en afvoer van het doorgelichte bedrijf.  

Ook het kunstmestgebruik en de verwerkingsinstallaties zullen van naderbij opgevolgd worden.

Nitraatresidu

Bij een perceelsevaluatie zijn de gevolgen van een nitraatresidubepaling afhankelijk van de ligging:

  • Binnen gebiedstype 0
    • Perceelsevaluaties op kosten van VLM
      • Resultaat < DW 1: geen gevolgen
      • Resultaat > DW 1: volgend jaar perceelsevaluatie op eigen kosten
    • Perceelsevaluatie op eigen kosten
      • Resultaat < DW 1: geen gevolgen
      • Resultaat > DW 1: volgend jaar bedrijfsevaluatie op eigen kosten
  • Gebiedstypes 1, 2 en 3
    • Perceelsevaluaties op kosten van VLM
      • Resultaat < DW 1: geen gevolgen
      • Resultaat > DW 1: volgend jaar bedrijfsevaluatie op eigen kosten

Het gevolg van een bedrijfsevaluatie is onafhankelijk van de ligging van het perceel:

  • Resultaat 1ste bedrijfsevaluatie  > DW 1:
    • bemestingsplan + teeltfiches
    • 2de bedrijfsevaluatie op eigen kosten
  • Resultaat > DW 2 of resultaat 2de opeenvolgende Bedrijfsevaluatie > DW 1 :
    • verplichte begeleiding door gecertificeerde adviesinstantie + nazien goede implementatie van de adviezen
    • derogatieverbod
    • jaarlijks bedrijfsevaluatie tot resultaat < DW 1

Nieuw in MAP 6 is wel dat de invloed van het koolstofgehalte op het nitraatresidu wordt nagegaan en desgevallend wordt het instrument hierop bijgestuurd teneinde de stimulerende maatregelen om organisch stofgehalte te verhogen niet te ontraden.

Terug naar het overzicht

Blijf altijd op de hoogte, schrijf je in op onze nieuwsbrief!

Blijf altijd op de hoogte, schrijf je in op onze nieuwsbrief!

Eerstvolgende evenementen

Werken bij DLV?