Aanpassingen aan het BAM (Compendium bemonsterings- analysemethodes voor mest, bodem en veevoeder)


In navolging van VLAREME II werden onlangs enkele aanpassingen aangebracht aan het BAM. Dit is de leidraad voor het bemonsteren en analyseren van mest, bodem en veevoeder. Graag lichten wij u hierbij de wijziging toe, gepubliceerd in versie BAM/deel3/01 van januari 2018.

De belangrijkste wijzigingen hebben betrekking op de nieuwe manieren van bemonsteren van varkensdrijfmest nl. de bemonstering tijdens het laden. Er wordt hier onderscheid gemaakt tussen het laden van een effectief transport (nl. naar eigen grond, naar de mestverwerking, in burenregeling, op lange afstand… ) en de simulatie van een transport waarbij de ver/opgepompte mest op dezelfde exploitatie blijft.

Bemonstering bij transport

Bemonstering tijdens het laden van mengmest voor een effectief transport mag uitgevoerd worden door een monsternemer-transporteur of een door VLAREL-erkend labo. Grote aanpassingen zijn hier zoals eerder gezegd niet gebeurd: Het minimale monstervolume werd gewijzigd van 500 ml naar 650ml. Verder dient er, indien er meerdere (aaneensluitende) dagen verschillende vrachten uit de mestkelder getransporteerd worden, de rangorde van de bemonsterde vracht in de reeks van getransporteerde vrachten genoteerd te worden.

Bemonstering tijdens een simulatie

Bemonstering tijdens een simulatie van transport mag enkel uitgevoerd worden door een door VLAREL-erkend labo, dus niet door een monsternemer-transporteur. Hierbij worden volgende maatregelen opgelegd:

  • Het verplaatsen van mest mag uitgevoerd worden ofwel met behulp van een aalton ofwel door het overpompen van mest. Belangrijk hierbij is dat de mest niet terug in dezelfde kelder mag terechtkomen dan diegene waaruit hij opgepompt wordt.
  • Tijdens de simulatie moeten minimaal 2 monsters genomen worden. Elk monster bestaat zelf uit 5 deelmonsters. Deze 5 deelmonsters worden verspreid genomen over de laadtijd van de aalton of de tijd waarbij ca. 25 ton mengmest wordt overgepompt. Ook bij gebruik van een aalton wordt verwacht ca. 25 ton geladen te hebben tijdens het nemen van het monster.
  • Vooraleer gestart mag worden met het nemen van het eerste monster, moet minimaal 10% van de aanwezige hoeveelheid mest verpompt worden.
  • Dezelfde hoeveelheid (10% van de initieel aanwezige mest) dient overgepompt te worden tussen het einde van de eerste monstername en het begin van de tweede monstername.

Bij een simulatie moet steeds genoteerd worden op het formulier dat het over een simulatie van een transport gaat en hoe de simulatie werd uitgevoerd (overpompen of m.b.v. een aalton).

Voor meer info, contacteer uw DLV-adviseur.

 

Lees hier het BAM-deel3-01

Terug naar het overzicht

Blijf altijd op de hoogte, schrijf je in op onze nieuwsbrief!

Blijf altijd op de hoogte, schrijf je in op onze nieuwsbrief!

Eerstvolgende evenementen

Werken bij DLV?