Wijzigingen GLB 2024

Op basis van de eerste ervaringen met het nieuwe GLB in 2023 zijn er in Vlaanderen recent een aantal wijzigingen doorgevoerd die in voege gaan vanaf 2024. Daarnaast waren een aantal belangrijke wijzigingen naar teeltrotatie en niet-productieve elementen of arealen (NPE) reeds eerder aangekondigd. Vorige week stelde de Europese Commissie dan weer voor om de braaklegging 1 jaar op te schorten. We zetten alles op een rijtje.

Recente wijzigingen

Om de volledige GLB-steun voor areaal- en diergebonden maatregelen te kunnen ontvangen, moet voldaan worden aan de conditionaliteit (voorheen de randvoorwaarden). Binnen de conditionaliteit zijn er aanpassingen bij de volgende normen voor een goede landbouw en milieuconditie (GLMC):

  • Minimale bodembedekking (GLMC 6)

    • Winter-voorploegen wordt in de landbouwstreek Polders en Duinen toegestaan vanaf 1 oktober in plaats van 15 oktober. Voor de kleigronden gelegen buiten Polders en Duinen blijft winter-voorploegen pas toegestaan vanaf 15 oktober.

  • Gewasrotatie (GLMC 7)

    • Twee nieuwe vrijstellingen zijn mogelijk. 

  • Percelen met sierplanten in containers op en in volle grond vrijgesteld van de toepassing van deze norm. 

  • Daarnaast is het op met knolcyperus besmette percelen op zandgrond toegelaten om maïs na maïs te telen tot wanneer het perceel vrij van knolcyperus is. De vrijstelling voor met knolcyperus besmette leem- en kleigronden vervalt vanaf 2024.

  • Aanhouden van niet-productief areaal (GLMC 8)

    • Een nieuwe vrijstelling werd toegevoegd. Bedrijven met minder dan 10 ha bouwland waarvan minstens 50% van het bouwland areaal onder vaste overkapping is, worden hiervan vrijgesteld.


      Om extra in te zetten op biodiversiteit, klimaat, water- en bodemkwaliteit werden er aanpassingen bij de ecoregelingen en beheerovereenkomsten doorgevoerd:

      • Ecoregeling “voortzetting biologische landbouw”

        • Het subsidiebedrag voor de eerste 5 hectaren van het landbouwbedrijf verhoogt van 200 naar 300 euro/ha.

      • Ecoregeling “bufferstrook”

        • De ecoregeling “bufferstrook met graskruiden mengsel” of “bufferstrook met bloemenmengsel” kan vanaf 2024 ook afgesloten worden langs percelen met blijvende teelten. 

        • Vanwege de wateroverlast in het najaar van 2023 hebben landbouwers niet altijd de mogelijkheid gehad om de bufferstroken tijdig aan te leggen. Uitzonderlijk krijgen zij de mogelijkheid om de ecoregeling “grasbufferstrook langs kwetsbare landschapselementen”, “grasbufferstrook langs waterlopen” of “bufferstrook met graskruidenmengsel” toch af te sluiten op voorwaarde dat deze bufferstroken vóór 1 mei 2024 ingezaaid zijn. Voor ‘bufferstrook met bloemenmengsel kon dit sowieso al tot 1 mei.

      • Ecoregeling “teelttechnische erosiebestrijdende en bodemverbeterende techniek”

        • Voor niet-kerende bodembewerking binnen deze ecoregeling wordt het toepassingsgebied uitgebreid naar percelen met een verwaarloosbare erosiegevoeligheid (donkergroene percelen). 

        • Het subsidiebedrag voor het toepassen van niet-kerende bodembewerking binnen deze ecoregeling wordt verhoogd van 60 euro/ha naar 86 euro/ha.

      • Ecoregeling “voedermanagement bij rundvee”

        • Het toepassen van voedermaatregelen voor het reduceren van enterische emissies bij rundvee levert een belangrijke bijdrage als klimaatmaatregel, maar is economisch gezien niet evident. De subsidiebedragen voor verschillende voedermaatregelen worden nu verhoogd tot 0,10 - 0,24 euro per dier/dag in functie van de maatregelen. 

        • In 2024 kunnen volgende maatregelen toegepast worden: 3-NOP, nitraat in combinatie met geëxtrudeerd/geëxpandeerd lijnzaad, nitraat in combinatie met koolzaadvet, nitraat, geëxtrudeerd/geëxpandeerd lijnzaad voor melkvee en voor vleesvee nitraat.

      • Ecoregeling “Het verhogen van het organische koolstofgehalte van bouwland”

        • Steun voor het gebruik van producten met hoog koolstofgehalte, zoals stalmest en compost, wordt ook mogelijk op blijvende teelten om zo het bodemorganisch stofgehalte te verhogen. 

        • Champost wordt als vorm van dierlijke vaste mest toegevoegd aan deze subsidieregeling. 

        • Het subsidiebedrag voor het aanbrengen van bedrijfseigen houtsnippers wordt verhoogd van 482 euro/ha naar 602,5 euro/ha. Vanaf 2024 is het mogelijk om ook houtsnippers afkomstig van knotbomen (enkel deze die deel uitmaken van een beheerovereenkomst ‘knotten’), het snoeien van fruit- en laanbomen en het rooien van fruitbomen te gebruiken.

        • Ter herinnering: De subsidie voor verhogen koolstofgehalte via stalmest wordt enkel toegekend als wordt aangetoond dat er op de aangevraagde percelen minstens 10 ton stalmest per hectare werd opgebracht. Neem daarom foto’s op het moment dat de stalmest wordt uitgespreid, op het veld ligt of ondergewerkt wordt. De foto moet duidelijk zichtbaar aantonen dat er stalmest werd opgebracht. Neem de foto’s bij voorkeur met de LV-Agrilens-app. Als de LV-Agrilens-app niet gebruikt wordt, zorg dan voor een foto met duidelijke herkenningspunten.

      Tot slot kunnen landbouwers ervoor kiezen om sommige beheerovereenkomsten mee te laten tellen als niet-productief areaal om te voldoen aan GLMC 8. 

      De beheerovereenkomsten “kruidenrijke akkerrand 15 juni”, “kruidenrijke akkerrand 15 juli” en “faunarand (plus)” kunnen aangegeven worden als NPE-bufferstrook of akkerrand. De rand moet dan wel naast een groter perceel bouwland liggen, dat door dezelfde landbouwer gebruikt wordt.

      De beheerovereenkomsten “faunavoedselgewas”, “faunavoedselgewas wisselteelt”, “bloemenakker”, “faunarand (plus)”, “fauna-akker (plus)”, “fauna-akker (plus) wisselteelt” en “luzernehooiland” kunnen aangegeven worden als NPE braak.

      Let op: bij combinatie met de NPE-bufferstrook of akkerrand en met de NPE-braak wordt 1.433 euro per hectare afgetrokken van de vergoeding voor de beheerovereenkomst.

      Gewasrotatie

      Gewasrotatie vervangt de verplichtingen met betrekking tot gewasdiversificatie voor de vergroeningspremie uit het vorige GLB. Concreet wordt er niet meer gekeken naar de verschillende teelten binnen het bedrijf, maar wel naar de afwisseling van teelten op het bouwlandperceel. Vanaf 2024 is de gewasrotatie verplicht voor alle bedrijven. De vrijstelling bij minder dan 10 ha bouwland is hiermee weg gevallen.

      Bedrijven met veel grasland in hun areaal kunnen nog wel een vrijstelling krijgen:

      • Bedrijven waar meer dan 75% van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige  voedergewassen, braak ligt, wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen of wordt gebruikt voor een combinatie van deze toepassingen.

      • Bedrijven waarvan meer dan 75% van het subsidiabel landbouwareaal blijvend grasland is, wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of voor de teelt van gewassen onder water, of een combinatie van die toepassingen


      Gewasrotatie moet worden nageleefd op twee niveaus. Jouw bedrijf voldoet aan gewasrotatie als: 

      1. je op je bedrijf minstens 1/3 van de aanwezige oppervlakte bouwland gewasrotatie toepast 

      • door een andere hoofdteelt aan te houden dan het voorgaande jaar 

      OF

      • door een tussenteelt van een andere teeltgroep aan te houden na de hoofdteelt die je in het voorgaande campagnejaar had. Je moet die tussenteelt gedurende minstens 12 weken laten staan.

       

      2. je op het perceel zelf nooit langer dan drie jaar dezelfde hoofdteelt aanhoudt. Het maakt daarbij niet uit wie het perceel in de voorbije jaren heeft aangegeven. 

      • Er zal pas in 2025 voor het eerst gekeken worden of aan deze voorwaarde is voldaan, maar hou hiermee best al rekening in je teeltplan van 2024. In de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 moet je dus minstens 2 verschillende hoofdteelten zetten.

      Daarnaast mogen aardappelen, met uitzondering van aardappelen onder niet-verplaatsbare serres, slechts éénmaal om de drie jaar op eenzelfde perceel geteeld worden, gecertificeerde pootaardappelen éénmaal om de vier jaar.

      Niet- productieve elementen en arealen

      3 of 4% van het bouwlandareaal dient als niet-productieve elementen of arealen (NPE) aangehouden te worden. In 2023 werd de braakuitzonderingsmaatregel veel toegepast (de teelt van graan, groenten en aardappelen kon toen als braak beschouwd worden), maar deze uitzondering is niet meer van toepassing vanaf 2024. Hierdoor zou het vanaf 2024 veel moeilijker worden om te voldoen aan deze conditionaliteit, en zou braaklegging voor bijna alle landbouwers een verplichting worden.

      Heeft jouw bedrijf veel grasland in het areaal, dan geldt hier ook een vrijstelling zoals bij de conditionaliteit gewasrotatie.

      Naar aanleiding van de boerenprotesten in diverse Europese landen stelt de Europese Commissie nu voor om de braaklegging een jaar op te schorten. Deze beslissing is nog niet definitief genomen, maar er wordt hiervoor een ruime meerderheid verwacht. Als voorwaarde voor het schrappen van de braakverplichting, moet er op 7% van het bouwlandareaal stikstofbindende- of vanggewassen verbouwd worden, en dit zonder gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

      Indien het voorstel van de Europese Commissie toch niet aangenomen wordt, of indien je geen stikstofbindende- of vanggewassen kan telen, dan zijn er 2 opties om te voldoen aan NPE:

      • minstens 4% van het bouwland gebruiken als NPE of

      • minstens 3% van het bouwland als NPE, aangevuld tot minstens 7% van het bouwland met vanggewas

      Mogelijke NPE zijn bomenrijen, houtkanten, heggen en hagen, poelen, groep van bomen, 1 meter teeltvrije strook, sloten en vanggewassen. Maar hiermee zullen vele bedrijven niet kunnen voldoen. Daarom zal in 2024 de toepassing van braakliggend land en/of akkerranden voor heel veel bedrijven noodzakelijk zijn. 

      Recent werd verduidelijkt wat er nu wordt verstaan onder braakliggend land en akkerranden, en wat er daar al dan niet mag gedaan worden.

      Braakliggend land? 

      Braakliggend land is bouwland waarop geen landbouwproductie plaatsvindt. Dit kan door een spontane vegetatie tot ontwikkeling te laten komen, of een gewas in te zaaien dat gunstig is voor de biodiversiteit. Voorbeelden van biodiversiteitsgunstige gewassen zijn bladrammenas, gele mosterd, faunamengsel, bloemenmengsel, facelia, Japanse haver, graskruidenmengsel, gras… . Zwarte of naakte braak is niet toegelaten.

      De inzaai van zomergranen die niet geoogst worden om als wintervoedsel voor akkervogels te dienen, is toegelaten op voorwaarde dat de landbouwer een schriftelijke overeenkomst met een overheid of vereniging kan voorleggen waarin het behoud van het zomergranen als wintervoedsel op het betrokken perceel wordt gewaarborgd. 

      Percelen die in de voorgaande campagne de status blijvend grasland hadden of hebben verkregen (code BG of BG5 in voorgaande campagne), komen niet in aanmerking als braakliggend land! Percelen tijdelijk grasland kunnen wel in aanmerking komen. 

      De aanhoudperiode van de braak loopt van 1 maart tot en met 31 augustus. De inzaai van het gewas met het oog op biodiversiteit en de voorbereidende werkzaamheden hiervoor kunnen na 1 maart gebeuren. Tijdens de aanhoudperiode mag niet gemaaid of geklepeld worden. Maaien waarbij het maaisel ter plaatse blijft liggen tijdens de aanhoudperiode, is toegelaten ter voorkoming van zaadvorming bij ingezaaide gewassen die gunstig zijn voor de biodiversiteit voor zover die geen grassen bevatten. Maaien mag niet bij spontane vegetatie tijdens de aanhoudperiode. 

      Vóór 1 maart kunnen eventuele wintergewassen nog geoogst worden. 

      Na 31 augustus:

      • mogen de veldwerkzaamheden starten met het oog op de inzaai van een nateelt die pas een oogst oplevert in het volgende jaar (bv. de inzaai van wintergraan in het najaar). Ook de inzaai van een vanggewas kan.

      • mag het perceel met het oog op onderhoud gemaaid met afvoer van het maaisel of begraasd worden.

      Indien niet begraasd, moet het perceel sowieso voor het einde van het jaar minstens éénmaal gemaaid worden. Uitzondering: een faunamengel of een faunavoedselgewas moet minstens éénmaal om de twee jaar gemaaid worden. Ook in het geval van de inzaai van een winterteelt in het najaar moet niet gemaaid worden. 

      Gewasbeschermingsmiddelen en bemesting zijn niet toegelaten op braakliggend land. Pleksgewijze bestrijding van akkerdistel is toegelaten. 

      Als er een wintergewas ingezaaid wordt, mogen gewasbeschermingsmiddelen en bemesting na 31 augustus in functie van de teelt. 

      Indien geen wintergewas ingezaaid wordt, is enkel bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing na 31 augustus toegestaan.

      Akkerrand?

      Akkerranden zijn ofwel bedekt met een spontaan ontwikkelde vegetatie ofwel ingezaaid met een gewas. Een al bestaande akkerrand kan ook als NPE gebruikt worden. Voorbeelden van een gewas op een akkerrand zijn graskruiden, gras, bloemenmengsel,… . Zoals alle NPE mag er ook hier geen landbouwproductie plaatsvinden. De akkerrand grenst aan een perceel bouwland in gebruik voor de hoofdteelt door dezelfde landbouwer en is minstens één meter breed en maximaal 20 meter breed. De oppervlakte van de akkerrand is kleiner dan de helft van de oppervlakte van het oorspronkelijk perceel waarvan de akkerrand afgesplitst is. 

      Een akkerrand  waarop een ecoregeling bufferstroken is afgesloten, kan niet meetellen als niet-productief areaal.

      Akkerranden moeten het jaarrond blijven liggen. Wel mogen wintergewassen voor het volgende jaar in het najaar ingezaaid worden en de nog aanwezige wintergewassen van het voorgaande campagnejaar moeten vóór 1 maart geoogst zijn. Indien gekozen wordt voor de inzaai van een gewas op de akkerrand, moet dit in het voorjaar gebeuren. In afwachting van inzaai van de akkerrand, mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en bemesting toegepast worden.

      Als de akkerrand kan worden onderscheiden van de aangrenzende teelt, mag die worden begraasd of gemaaid met afvoer van het maaisel, in het kader van onderhoud. Als er geen onderscheid kan gemaakt worden tussen de akkerrand en de aangrenzende teelt, mag enkel klepelen of maaien waarbij het maaisel blijft liggen. Akkerranden moeten minstens voor het einde van het jaar gemaaid worden. 

      Gewasbeschermingsmiddelen en bemesting  zijn het ganse jaar niet toegelaten, met uitzondering van een pleksgewijze bestrijding van akkerdistel en een bemesting door rechtstreekse uitscheiding wanneer begrazing toegelaten is. 

      Als er een wintergewas ingezaaid wordt, mogen gewasbeschermingsmiddelen en bemesting in functie van die teelt.


      Heb je nog vragen? Contacteer een DLV-adviseur.

      DEEL DIT BERICHT:

      Recente projecten