Is er nog plaats voor de paardenhouder?

Wordt de paardenhouderij opzij geschoven of net op de voorgrond geplaatst in het landschap van de ruimtelijke ordening? 

Paardenhouders werden de voorbije jaren steeds meer geconfronteerd met problemen omtrent vergunningen. Verschillende hindernissen doemen immers op uit de duisternis wanneer de procedure voor een vergunningsaanvraag wordt gestart. Voornamelijk omtrent de bestemmingszones, beleidsmatige ontwikkelingen en buren worden problemen vastgesteld. In dit artikel lichten we de hindernissen toe en bekijken we hoe het parcours alsnog succesvol kan worden afgerond. 

Het parcours

Hindernis 1: De bestemmingszones

Vlaanderen is ingedeeld in gewestplannen. Elk gewestplan kleurt ons landschap in verschillende kleurzones die elk een specifieke bestemming hebben. De kleur geel staat voor agrarisch gebied, oranje voor recreatiegebied, rood voor woongebied enz. Deze kleurcode zal bepalen wat je mogelijkheden zijn. 

Als paardenhouderij zal je vaak in agrarisch gebied zitten. Er is immers nood aan voldoende ruimte om de paarden te laten grazen. Agrarische gebieden zijn bestemd voor agrarische activiteiten zoals veeteelt en akkerbouw, alsook para-agrarische activiteiten zoals paardenhouderij. Om een vergunning te krijgen tot het plaatsen van een nieuwe constructie (stal, schuur, piste, …) moet echter worden aangetoond dat de activiteit als paardenhouder volwaardig is, alsook dat de nieuwe constructie absoluut noodzakelijk is voor de activiteiten. Indien je ook een woning wenst te bouwen, moet hierbovenop worden aangetoond dat de activiteit leefbaar is. 

De aanvrager moet aldus volwaardigheid, noodzakelijkheid en leefbaarheid kunnen aantonen. Dit is niet altijd even evident. Een paardenhouderij in opstart zal dit bijvoorbeeld nog niet kunnen aantonen. De activiteit zal vaak onvoldoende groot en uitgebouwd zijn. Daarnaast zal je nog te weinig professionele resultaten kunnen voorleggen die ook een opbrengst met zich hebben meegebracht.

Bovenop deze vereisten stelt een Vlaamse Richtlijn, met name de Omzendbrief van 1997, dat de activiteit moet bestaan uit het “fokken en/of houden” van minstens 10 paarden. Deze richtlijn is niet bindend, maar wordt in de praktijk altijd aangewend als toetssteen. 

Naast de bestemming agrarisch gebied zullen vele paardenhouders ook thuishoren in recreatiegebied. In de praktijk wordt het houden en berijden van paarden vaak aanzien als een recreatieve activiteit. Een manege, kinderboerderij en een site voor ponykampen vallen in ieder geval onder de noemer ‘recreatie’. Echter zal héél vaak ook een paardenpension of een sportstal onder deze noemer worden geplaatst. Dit is problematisch, gezien de recreatiegebieden uitermate schaars zijn in Vlaanderen. 

In woongebied zijn paardenhouders welkom. Bij voorkeur vestigen zij zich in een gebied omschreven als “woongebied met landelijk karakter”. Zowel een professionele paardenhouder, als een semi-professioneel, als een hobbyhouder kan zich hier vestigen. In de woongebieden komen echter ook heel wat beperkingen naar voren. Vaak zijn er in deze zone extra specifieke stedenbouwkundige voorschriften van toepassing waardoor de bouwmogelijkheden worden beperkt. Bovendien zal je in deze gebieden extra rekening moeten houden met omwonenden die sneller hinder kunnen ondervinden van de paardenhouderij.

Heb je een activiteit in één van deze bestemmingszones, maar voldoe je niet aan de omschrijving of voorwaarden van deze zones? Dan wordt jouw activiteit of site bestemd als “zonevreemd”. Deze term houdt in dat je geen beroep kan doen op de algemene regelgeving, maar enkel op specifieke regelgeving voor zonevreemde dossiers. In dit kader zijn er zeker mogelijkheden, doch enkel binnen bestaande gebouwen. Een nieuwe constructie plaatsen is in een zonvreemde context bijna onmogelijk. 


Hindernis 2: Beleidsmatige ontwikkelen

De mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergunning wordt bepaald door de regelgeving toepasselijk voor de bestemmingszones. Deze regelgeving is echter ook vatbaar voor interpretatie. Dit betekent dat we rekening moeten houden met hoe rechtscolleges, adviesinstanties en overheden deze regelgeving interpreteren en toepassen binnen hun eigen beleid. 

Het departement landbouw en visserij zal bijna alle aanvragen in het agrarisch gebied gaan adviseren. Zij brengen advies uit aan de gemeente, stad of provincie over jouw aanvraag. Hierin beoordelen zij of je voldoet aan de voornoemde voorwaarden van volwaardigheid, leefbaarheid en noodzakelijkheid. Op heden adviseren zij gunstig voor paardenhouders die een fokkerij hebben en deze voorwaarden vervullen. Wanneer paardenhouders een pensionstalling uitbaten, een sportstal hebben én hierbij geen fokkerij of slechts een kleinschalige fokkerij aanwezig is, dan adviseren zij ongunstig. Bovendien adviseren zij naar aanleiding van een arrest van de Raad van State (al dan niet terecht) dat paardenhouders die  voornamelijk paarden van derden houden, evenmin thuishoren in agrarisch gebied. 

Ook vanuit de Vlaamse Overheid wordt een interpretatie gegeven aan de regelgeving. Zo werd bij parlementaire besprekingen gesteld dat de vergunningen voor paardenhouders voornamelijk voor kwalitatieve paardenfokkerijen moeten worden weggelegd. Iedere vorm van recreatie moet hierbij worden uitgesloten. Het ‘rijden van paarden’ wordt echter vaak als recreatie aanzien, terwijl dit ook een inherent deel uitmaakt van de professionele paardenfokkerij. Een klein aandeel van de fok wordt verkocht tijdens veulenveilingen en zelfs al tijdens embryoveilingen. Het grote merendeel van de gefokte veulens heeft zijn meerwaarde echter pas als het paarden zijn die klaar zijn om mee te draaien in de topsport. Om tot dat niveau te komen moeten paarden afgericht en getraind worden, en dus bereden worden. 

In ieder geval zijn tal van initiatieven hangende bij de Vlaamse Overheid om het regelgevend kader te verduidelijken. Hoe dit er zal uitzien en wat we hiervan mogen verwachten, is nog afwachten. Hierbij zullen zij echter ook heel erg waken over het evenwicht tussen de paardenhouder en de doorsnee landbouwer. 


Hindernis 3: Buren en de goede ruimtelijke ordening

Vooraleer een vergunning wordt afgeleverd, wordt ook nagekeken of de activiteit van de paardenhouder geen hinder zal veroorzaken voor de omgeving. Bepalend hierbij zijn de plannen van de aanvraag gezien deze een duidelijk beeld geven over hoe ver de nieuwe constructie van de perceelsgrens ligt, hoe hoog er wordt gebouwd, waar de mestvaalt zich situeert, of er bijkomende groen wordt aangeplant, … . Als aanvrager moet je dus op voorhand goed kunnen inschatten of de nieuwe constructie hinder kan veroorzaken. Zowel de overheid, als omwonenden kunnen met argumenten komen aandraven waarbij ze zeggen dat een paardenhouderij niet past, dat de mest geurhinder zal veroorzaken, dat de transporten van hooi en stro de openbare weg teveel zullen belasten, enz.

Gezien dit alles zeer subjectieve aspecten zijn, is dit misschien wel het minst voorspelbare aspect van de vergunningsaanvraag. Niettemin kan een goede voorbereiding en omkadering van de aanvraag het overkomen van deze hindernis zeker bewerkstelligen. 


Wens je begeleiding bij de aanvraag van jouw vergunning? Contacteer een DLV-adviseur!

Auteur: DLV-adviseur Paulien Tanghe. Dit artikel werd geschreven voor het magazine CAP dat verscheen in april 2021

DEEL DIT BERICHT:

Recente projecten

Nieuwsbrief agro Inschrijven
Nieuwsbrief voor paardenhouders Inschrijven