Impact van het nieuwe stikstofdecreet: Wat moet je weten?

Op woensdagavond 24 januari werd het stikstofdecreet door het Vlaams Parlement goedgekeurd. Dit moet echter nog in het Belgisch Staatsblad verschijnen vooraleer het van kracht gaat. Gelijktijdig wordt een omzendbrief van toepassing die in bepaalde gevallen extern salderen (= emissieruil tussen twee exploitaties) mogelijk maakt. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn reeds duidelijk, maar er zal nog moeten blijken hoe met verschillende aspecten zal omgegaan worden. Hieronder worden de hoofdzaken op een rijtje gezet.

Doelstellingen 2030

Eén van de fundamenten in het plan van aanpak is dat er voor elke varkens-, pluimvee- en rundveehouderij een PAS-referentie 2030 zal berekend worden. De PAS-referentie 2030 is de maximale ammoniakemissie die per bedrijf uitgestoten mag worden op jaarbasis en dit moet uiterlijk tegen 2030 gerealiseerd worden.  

Deze PAS-referentie 2030 wordt berekend op basis van de dieraantallen die werden aangegeven in de mestbankaangifte voor productiejaar 2021. Hierbij wordt voor bepaalde diercategorieën (onder andere voor varkens en pluimvee) een leegstandspercentage in rekening gebracht. Vervolgens wordt deze vergeleken met de vergunde emissies op basis van de geldige milieu- of omgevingsvergunning en wordt er al dan niet afgetopt. Dit is dan de referentiesituatie 2021. Voor deze referentiesituatie 2021 kan een afwijkende berekeningsmethode gevraagd worden wanneer de gemiddelde veebezetting in 2021 niet representatief is door een overmachtssituatie, er sinds 2017 nog investeringen gedaan zijn inzake dierplaatsen of wanneer de exploitatie vergund is na 1 januari 2022  en de veebezetting in 2021 0 was. 

Hierbij dienen finaal onderstaande reductiepercentages verrekend te worden:

  • Varkens/pluimvee: 

    • 60 % reductie van de ammoniakemissies afkomstig uit traditionele stallen

  • Rundvee*: 

    • 0 % reductie voor het vleesvee

    • 25 % reductie voor het melkvee

    • 28 % reductie voor mestkalveren

*Het is de bedoeling dat de reductiedoelstelling voor de verschillende rundveedeelsectoren uiterlijk 31 december 2026 opnieuw geëvalueerd en bijgestuurd zal worden. Deze oefening wordt vervolgens jaarlijks herhaald. Tegen 31 december 2025 neemt elke rundveehouder een ammoniakemissiereducerende maatregel met een minimaal rendement van 5 %. In 2026 wordt geëvalueerd of alle rundveedeelsectoren reeds halfweg zijn met hun taakstelling. Als blijkt dat men niet op schema zit, zal de VLM nutriëntenemissierechten opkopen. 

Dit eindresultaat is de maximale ammoniakemissie die op het bedrijf nog mag uitgestoten worden tegen 2030. De vooropgestelde reducties kunnen behaald worden door het nemen van ammoniakemissiereducerende maatregelen of door het verminderen van dierplaatsen of een combinatie van beide. De Vlaamse Regering heeft vastgesteld in welke gevallen hiervan mag afgeweken worden. Dit kan namelijk wanneer de impactscore maximaal 0,025 % bedraagt of wanneer kan aangetoond worden dat de globale voorziene daling van de stikstofdeposities niet in het gedrang komt. 

De bronmaatregelen die voorzien zijn voor mestverwerkingsinstallaties gelden voor mestverwerkingsinstallaties die als volgt omschreven worden: een mestverwerking die dierlijke mest verwerkt en ook mest van derden aanneemt, met een vergunde mestverwerkingscapaciteit van minstens 40.000 ton/jaar, die andere activiteiten op mest uitvoert dan uitsluitend mestscheiding of de biologische behandeling van de dunne fractie.

Deze installaties dienen voor 1 januari 2027 minstens één ammoniakemissiereducerende maatregel te nemen. Indien er al dergelijke maatregelen werden genomen en deze zijn nog niet opgenomen in de vergunningstoestand van 1 januari 2015, dan tellen deze ook mee. 

In 2028 wordt geëvalueerd of de doelstelling voor de mestverwerkingssector behaald is. Indien dit niet het geval is, worden bijkomende maatregelen genomen ten aanzien van de hierboven genoemde mestverwerkingsinstallaties. De installaties die reeds 30 % of meer hebben gereduceerd, zijn hiervan vrijgesteld. 

Elke bewerkings- of verwerkingseenheid ongeacht de grootte of activiteit zal ook de NH3-emissiepunten moeten bepalen en bezorgen aan de mestbank. In de mestbankaangifte zullen dan ook de ammoniakemissies per emissiepunt moeten gerapporteerd worden.

Mogelijkheden vrijstelling

Voor sommige bedrijven is het mogelijk om een vrijstelling te krijgen op deze algemene reductiemaatregelen die worden opgelegd. Deze optie is aan de orde voor conventionele veehouderijen waarbij de jaarlijkse ammoniakemissie minder bedraagt dan 500 kg ammoniak cf. de veebezetting in 2021 en de impactscore maximaal 0,025 % is. (De impactscore geeft weer hoeveel druk er uitgeoefend wordt door een bedrijf op de nabijgelegen natuur.) Voor biologische veehouderijen kan een vrijstelling verkregen worden wanneer de impactscore maximaal 1 % bedraagt op basis van de gerealiseerde emissies in 2021. Tevens is er een vrijstelling voor de diercategorieën waar de Vlaamse Regering vaststelt dat er geen ammoniakemissiereducerende maatregelen vastgesteld zijn.

Wat met mijn huidige vergunning?

Iedere pluimvee-/varkens-/rundveehouderij die beschikt over een vergunning van onbepaalde duur of met een termijn langer dan 2030 moet ervoor zorgen dat hij uiterlijk op 30 september 2029 in het bezit is van een aangepaste vergunning of dat een (gedeeltelijke) stopzetting is gemeld om te voldoen aan de PAS-referentie 2030. 

Voor iedere pluimvee-/varkenshouderij van wie de vergunning de komende jaren komt te vervallen, kan een hernieuwing van de vergunning bekomen worden tot eind 2030, indien men de traditionele stallen voorlopig nog wenst te behouden zonder aanpassingen te doen. Er kan een vergunning voor onbepaalde duur bekomen worden wanneer met de aanvraag wordt voldaan aan de PAS-referentie 2030. Hou er daarnaast ook rekening mee dat er voldaan moet worden aan het geurkader en dat er hiervoor mogelijks nog extra maatregelen vereist zijn.

Voor de rundveehouderijen waarvan de vergunning binnenkort komt te vervallen, kan een vergunning bekomen worden tot eind 2025 wanneer men nog geen inspanningen wenst te doen en tot eind 2030 indien er een reducerende maatregel wordt genomen met een minimaal rendement van 5 %. Ook hier kan een vergunning verkregen worden van onbepaalde duur wanneer met de aanvraag wordt voldaan aan de PAS-referentie 2030.

Het algemeen beoordelingskader voor vergunningsaanvragen voor veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties voorziet dat er geen passende beoordeling moet toegevoegd worden bij de vergunningsaanvraag wanneer de impactscore maximaal 0,025 % bedraagt en aldus wordt gesteld dat er geen betekenisvolle aantasting is. Indien de berekende impactscore voor de aanvraag hoger is, moet een passende beoordeling toegevoegd worden waarmee moet aangetoond worden dat er geen betekenisvolle aantasting is. In volgende gevallen kan de passende beoordeling gunstig geadviseerd worden:

  • Als in de beoogde situatie de emissies overeenstemmen met de PAS-referentie 2030 of lager zijn, er geen stijging wordt gerealiseerd en de impactscore < 50 % is.

  • Als kan aangetoond worden dat de daling van de totale deposities niet in het gedrang komt.

Voor vergunningsaanvragen van stationaire bronnen van stikstofoxiden, zoals bijvoorbeeld WKK’s of stookinstallaties in de tuinbouw geldt dat er geen passende beoordeling dient toegevoegd te worden aan de vergunningsaanvraag wanneer de impactscore maximaal 1 % is en met andere woorden op vlak van stikstofdeposities een gunstig advies kan verleend worden. In alle andere gevallen dient een passende beoordeling opgemaakt te worden waarin kan aangetoond worden dat er geen betekenisvolle aantasting is van het habitatrichtlijngebied. 

Piekbelasters

In de goedgekeurde versie van het stikstofdecreet worden de rode bedrijven/piekbelasters als volgt gedefinieerd: een bedrijf wordt aanzien als een piekbelaster wanneer het resultaat van de impactscore voor productiejaren 2020, 2021 en 2022 minstens in twee van de drie gevallen 50 % of meer bedraagt. Voor deze bedrijven is er de mogelijkheid om een vergunning te bekomen voor onbepaalde duur wanneer wordt voldaan aan de emissiereductie cf. de PAS-referentie 2030 en indien bijkomend wordt gereduceerd zodat de impactscore van het bedrijf minder dan 50 % is. De andere optie is dat een vrijwillige sluiting van de veetak of bedrijfsreconversie wordt beoogd zodat ook hier de emissies gereduceerd worden. Hiervoor is er een flankerend beleid voorzien.

Extern salderen

In afwachting van de uitkomst van het nieuwe voorziene milieueffectenrapport (MER) om de mogelijkheden tot het extern salderen te onderzoeken, gaat samen met het stikstofdecreet een omzendbrief in voege waarmee er in bepaalde gevallen extern gesaldeerd kan worden. 

Deze emissieruil is enkel mogelijk voor maximaal 1.500 kg ammoniak voor uitbreidingen of nieuwe bedrijven, waarbij beide bedrijven stikstofdepositie veroorzaken op dezelfde aandachtsgebieden in habitatrichtlijngebied. Verder dient in de beoordeling van een dergelijke aanvraag nagegaan te worden of de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend hiermee niet in het gedrang komt. Bij een dergelijke vergunning gaat het om een directe emissieruil. Deze moet geregistreerd worden en beide vergunningen dienen hierbij gekoppeld te worden.

Invloed op de bemestingstechnieken in het mestdecreet en nutriëntenemissierechten (NER)

Om de emissies verder te reduceren bij de aanwending van mest worden samen met het stikstofdecreet ook enkele emissiearme bemestingstechnieken uit het mestdecreet verder bijgestuurd.

Zo werd er vastgelegd dat vanaf 1 januari 2028 het gebruik van sleepslangen op grasland niet langer wordt aanzien als emissiearme aanwending. Het gebruik van sleepslangen op de overige beteelde landbouwgronden is wel nog toegelaten. De mest die wordt gespreid op niet beteelde akkers dient direct ondergewerkt te worden, terwijl dit tot op heden binnen de 2 uur is op weekdagen. Ureumhoudende meststoffen dienen in de toekomst aangewend te worden door direct in te werken na het spreiden, door te injecteren of door het toepassen van ureaseremmers.

De niet-ingevulde NER zullen afgeroomd worden. De benutte NER worden bepaald op basis van de gemiddelde veebezetting in 2020, 2021 en 2022. Bij dit gemiddelde wordt een marge genomen van 10 %. Voor de legkippen wordt de hoogste invulling van deze drie kalenderjaren weerhouden. Als dit resultaat lager is dan het aantal NER waarover men beschikte op 31 december 2023, wordt het verschil geannuleerd. Voor de toepassing van deze berekening wordt geen rekening gehouden met de NER die aangekocht werden sinds 1 januari 2017 en de NER mits mestverwerking. In geval van overmacht kan een andere berekening voor de annulering voorgelegd worden.

Bijvoorbeeld: stel dat er op een bedrijf gemiddeld genomen (voor 2020, 2021 en 2022) 25.000 NER worden benut,  hierop een marge van 10 % toegepast, geeft een totaal van 27.500 NER. Indien op het bedrijf op 31 december 2023 30.000 NER ter beschikking waren, zullen dus 2.500 NER geannuleerd worden. 

De vergoeding voor deze annulering bedraagt 1 euro per NER met uitzondering van de rechten waarover men beschikte op 1 januari 2007.


Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel? Aarzel niet om een DLV-adviseur te contacteren!

DEEL DIT BERICHT:

Recente projecten